HET ONMISBARE PERSONAGE DAT NOOIT SPREEKT

We were already on Wilmslow Road when the call came through.

Meer heb je niet nodig. Als je dat leest, weet je dat de actie begonnen is en dat je er middenin zit. En actie krijg je volop in The Smiling Man, het tweede boek van Joseph Knox, waaruit ik deze zin uit de opening van Midnight City, het eerste deel van het verhaal, citeer. In de 400 pagina’s die volgen, laat het je niet meer los.

Wat maakt een boek (of film) nu echt goed? Wat maakt dat je het liever leest dan een ander? Misschien is het eerlijkste antwoord gewoon zoals William Goldman schreef in zijn Adventures in the Screen Trade, mogelijk het beste boek ooit geschreven over de filmwereld: NOBODY KNOWS ANYTHING. Er is geen magische formule. Een goed boek is wat je zelf goed vindt, meer niet. Raak je niet geboeid, stop dan met lezen.

Natuurlijk zijn er noodzakelijke elementen. Om te beginnen het plot. Zonder goed verhaal sta je nergens. Dat is het begin en het einde. Ten tweede het hoofdpersonage, de protagonist. Alleen als die overtuigend genoeg is om het verhaal te dragen, wil je je als lezer laten meeslepen. En geen protagonist is geloofwaardig als die niet omringd wordt door een tegenstander en een cast van al dan niet sympathieke nevenpersonages. Toegegeven, dit is niet anders dan wat open deuren intrappen. 

Maar er is nog iets dat onmisbaar is. Het is een personage dat nooit spreekt en altijd op de achtergrond blijft, maar dat elk verhaal op een unieke manier kleurt: de omgeving. Personages komen pas echt tot leven tegen een achtergrond. Neem die weg en wat er overblijft zijn niet meer dan eendimensionale figuren zonder diepgang en geschiedenis. Alleen als je je als lezer een idee kunt vormen waar het verhaal speelt, ben je klaar om er helemaal in mee te gaan.

Ik schrijf dit omdat ik net twee boeken heb gelezen waarin de omgeving een essentiële bijrol speelt: het eerste is dus The Smiling Man van Joseph Knox, het tweede Salt Lane van William Shaw. In beide is het decor bijna een personage op zich.

Joseph Knox debuteerde vorig jaar met het sublieme Sirens, een grauw realistisch politieverhaal dat zijn kracht voor een groot deel ontleende aan de manier waarop hij Manchester tekende. De stad was als een dreigende aanwezigheid die je nooit kunt afschudden. Met The Smiling Man gaat hij op die lijn door. En om het maar meteen te zeggen: het is nog sterker dan zijn eerste. 

Knox heeft zich zijn hoofdfiguur, de niet zo rechtlijnige politieagent Aidan Waits, helemaal eigen gemaakt. Dit is zijn creatie en ik vind Waits nu al een onvergetelijk personage. Maar dit is ook opnieuw een verhaal van Manchester. Van bij die eerste noodoproep is het weer steeds nadrukkelijk aanwezig. Zoals Knox het vertelt, kan dit verhaal nergens anders spelen.

Heeft mijn enthousiasme ermee te maken dat ik Manchester vrij goed ken omdat ik er al meer dan veertig jaar geregeld kom? Misschien. Wilmslow Road, Deansgate of Piccadilly zijn voor mij meer dan namen. Maar ook als je er nooit geweest bent, kun je Waits en zijn chef Peter Sutcliffe zo volgen op hun tocht door half verlichte straten, door Chinatown of The Quays, in een leegstaand hotel of flatgebouwen waar de geuren je in het gezicht slaan. Waits zit gewoon vastgeklonken aan Manchester. Het resultaat is een schitterende, onvervalste noir, waarbij de vertelling in de ik-vorm bijna klinkt als de voice-over van een film. 

William Shaws nieuwste heeft zelfs een adres als titel: Salt Lane, en zoals zijn vorige standalone The Birdwatcher speelt het in de moerassen en kreken van de streek rond Dungeness in het zuiden van het graafschap Kent, waar land en zee al eeuwen tegen elkaar strijden en het ene onverbiddelijk getekend is door het andere. Het is een wereld met veel leegte. Met wegrottende vissersboten op het strand, verlaten hutten en waterplassen waar alleen birdwatchers komen en waarin DI Alexandra Cupidi, een alleenstaande moeder met een opgroeiende tienerdochter, belast wordt met het onderzoek naar de dood van een onbekende man op een boerderij.

Shaw is ook de schrijver van de inmiddels vier boeken rond de politie-inspecteurs Cathal Breen en Helen Tozer in het Swinging London van de jaren 1960. De achtergrond waartegen die spelen kan nauwelijks meer verschillen met dit boek, maar Shaw tekent ze telkens even geloofwaardig uit. Sluit je ogen en je kunt bijna horen hoe de branding over de kiezelstenen rolt. 

Neem ook hier de omgeving weg en het boek wordt op slag veel armer. En je kunt de rode draad doortrekken. Dead If You Don’t, de nieuwste van Peter James, komt compleet met de nu obligate kaarten van het graafschap Sussex en Brighton om de actie beter te situeren. Dat dit zijn beste is sinds Dead Simple is mooi meegenomen, maar zoals al zijn vorige is hoofdfiguur Roy Grace ondenkbaar zonder Brighton.

De boeken van Michael Connelly kunnen alleen in Los Angeles spelen, waar Harry Bosch vanuit zijn huis op Woodrow Wilson Drive uitkijkt over de freeway in de diepte. Dennis Lehane is op zijn best als hij Patrick Kenzie en Angela Errigo laat ronddwalen door de wijk Dorchester in Boston. Wie Ian Rankin zegt, zegt onvermijdelijk ook Edinburgh. Stuart Neville kan niet zonder Belfast, net zoals de reeks rond inspecteur Alan Banks van Peter Robinson alle eigenheid zou verliezen zonder de heide en de Yorkshire Dales of Banks’ huis in het (fictieve) Eastvale. En zouden de boeken van Philip Kerr even aangrijpend zijn geweest als Bernie Gunther niet had rondgehangen in het Hotel Adlon, de Alexanderplatz of de Friedrichstrasse van het Berlijn van de jaren 1930?

Een realistisch getekende omgeving is vooral in thrillers en misdaadromans cruciaal. Ze draagt bij aan de geloofwaardigheid en de authenticiteit van het verhaal. Maar in de ‘grote’ literatuur is het niet anders.

Van Venetië in Der Tod in Venedig of Davos in Der Zauberberg van Thomas Mann tot Alexandrië in The Alexandria Quartet van Lawrence Durrell of van New York in de gelijknamige trilogie van Paul Auster tot de Mississippi van Mark Twain of het Vietnam of Havana van Graham Greene zijn plaatsen de noodzakelijke ingrediënt die alles op smaak brengt. Niet slecht voor een personage dat nooit spreekt.

© Paul De Bruyn, juni 2018