“Je grootste vijand zit vaak in je eigen partij”

Het Laatste GesprekNa twee non-fictieboeken over de moord op JFK en het gedachtegoed van George W. Bush, waagt Paul De Bruyn zich voor het eerst aan een politieke thriller. Daarin wil een oud-premier nog één keer de puntjes op de i zetten.

Vanwaar deze switch?

De jongste jaren heb ik letterlijk honderden thrillers verslonden. De zin om er zelf één te schrijven groeide met de dag. Vermits ik nooit aan politieverslaggeving heb gedaan, leek me dat subgenre een brug te ver. Maar ik ben 28 jaar politiek journalist geweest en heb in die periode, naast tal van ministers en kabinetsmedewerkers, alle Belgische premiers persoonlijk gekend. Dat wereldje kende ik echt door en door en zo groeide het idee om een geloofwaardige politieke thriller te schrijven.

De politici in je boek komen er, op zijn zachtst gezegd, niet altijd even fraai uit.

Dat klopt, hoewel ik zeker niet de mening deel van al diegenen die luid van de daken schreeuwen dat alle ‘politiekers’ zakkenvullers zouden zijn. Meer nog, ik ben ervan overtuigd dat de meesten onder hen er echt als idealisten aan beginnen, maar dat wanneer jaloezie en ambitie de kop opsteken er vaak onsmakelijke machtsspelletjes ontstaan. Niet zelden binnen de eigen partij. Ik heb dat meer dan eens vanop de eerste rij mogen observeren. Ware vriendschap ben ik er zelden of nooit tegengekomen. Wie een kans ziet, neemt ze en kijkt nog zelden om.

Naast de politiek krijgt ook het dagelijkse leven op een krantenredactie een centrale rol toebedeeld.

Bert Peeters is een wat uitgebluste journalist die zich door zijn hoofdredacteur uitgerangeerd weet en daar behoorlijk mee worstelt. Zijn nieuwe opdracht op de regioredactie valt hem fysiek en psychisch zwaar. Tot hij de kans ziet om nog één keer te schitteren. Hij bedenkt het plan om met de oudste nog levende premier van het land te gaan praten over de aanslepende onderhandelingen die met de nieuwe regeringsvorming gepaard gaan. Wie weet kan dit gesprek hem opnieuw als politiek journalist lanceren. En beseft zijn hoofdredacteur dat het met Bert Peeters nog alle kanten op kan. Maar het bewuste gesprek gaat een compleet andere richting uit, waardoor Peeters met totaal nieuwe problemen wordt geconfronteerd. Het boek gaat dus niet alleen over persoonlijke afrekeningen en duistere afspraken tussen politiek en pers, het vertelt ook het verhaal van een man die tot het besef komt dat de wereld die hij gekend heeft, met zijn geweldige uitdagingen en onstuimige vriendschappen, voorgoed aan het verdwijnen is.

Bespeuren we hier enige bitterheid?

Absoluut niet. Je zou mijn roman zelfs als een verdoken liefdesbetuiging kunnen lezen aan een van de mooiste beroepen ter wereld. En aan de krant waar ik een aantal geweldige jaren heb meegemaakt. Alle personages die erin voorkomen – politici, journalisten of mensen uit Berts vriendenkring – zijn trouwens fictief, net als de feiten waar ik mijn verhaal heb rond opgebouwd. Als er al verwijzingen zijn naar de realiteit, dan zijn die – op een enkele uitzondering na – veeleer onbewust het verhaal ingeslopen. Het is zeker ook geen verkapte autobiografie. Mensen die mij kennen, weten bijvoorbeeld dat ik de muzikale smaak van Bert Peeters nooit zou delen (lacht).

Interview door Geert D’Hulster (Gazet van Antwerpen) – 20 mei 2016